
Een peuter die worstelt met zijn jas.
Een boterham die meer op het aanrecht dan in de mond belandt.
Een trap die eindeloos lijkt te duren.
Voor volwassenen zijn dit momenten waarop we vaak denken: “Ik help wel even.” Maar voor een peuter zijn dit precies de momenten waarop zijn lichaam en brein zich ontwikkelen.
Wat wij zien als “gedoe”, is eigenlijk oefening op het hoogste niveau.
Een peuter leeft in een motorische leerwereld
Een peuter beweegt niet zomaar.
Elke beweging vraagt samenwerking tussen:
- spieren
- gewrichten
- evenwicht
- ogen
- handen
- en het brein
Dat heet motorische planning: weten wat je wilt doen, hoe je het moet doen en het vervolgens ook kunnen uitvoeren.
Volwassenen doen dit automatisch. Peuters moeten dit nog allemaal opbouwen.
Daarom kost iets eenvoudigs als een sok aantrekken soms zoveel tijd, concentratie en energie.
Waarom dagelijkse handelingen zo krachtig zijn
We denken bij motorische ontwikkeling vaak aan fietsen, klimmen en buitenspelen. Maar minstens zo belangrijk zijn de kleine dingen, omdat ze:
- elke dag terugkomen
- betekenis hebben (het doel is duidelijk)
- verschillende bewegingen combineren
Een peuter wil zijn jas aan omdat hij naar buiten wil. Die motivatie zorgt ervoor dat hij blijft proberen, ook als het moeilijk is.
Dat maakt dagelijkse handelingen veel krachtiger dan een los “oefeningetje”.
Wat er écht gebeurt bij bekende momenten
Aankleden
Een peuter moet zijn lichaam “in zijn hoofd” hebben: Waar is mijn arm? Waar zit het gat van de mouw? Hoe draai ik mijn lijf?
Daarbij moet hij ook nog:
- zijn balans houden
- zijn kracht doseren
- links en rechts coördineren
Het is eigenlijk een driedimensionale puzzel.
Traplopen
Elke trede vraagt:
- inschatten van hoogte
- gewicht verplaatsen
- evenwicht
- ritme
Daarom gaan peuters vaak met twee voeten per trede. Dat is geen achterstand, maar een slimme, veilige strategie.
Eten en smeren
Een boterham smeren vraagt samenwerking tussen twee handen, ogen en kracht. Te hard drukken = brood scheurt. Te zacht = niets blijft plakken.
Dat ‘geklieder’ is precies de training die later nodig is voor schrijven en knippen.
Waarom peuters traag en rommelig zijn
Peuters zijn niet traag omdat ze niet meewerken. Ze zijn traag omdat ze:
- moeten nadenken
- voelen
- corrigeren
- en opnieuw proberen
Elke keer dat jij iets overneemt, neem je ook een stukje oefening weg.
Dat betekent niet dat je nooit mag helpen, maar wél dat het waardevol is om eerst ruimte te geven.
De verborgen motorische gym van een gewone dag
Zonder dat we het doorhebben, trainen peuters de hele dag:
- schoenen aantrekken
- een beker naar de mond brengen
- op een stoel klimmen
- speelgoed opruimen
- een deur opendoen
- een puzzel draaien
- een banaan pellen
- handen wassen
Voor volwassenen zijn dit details. Voor peuters zijn het complete motorische workouts.
Wat kun je als ouder of leidster bewust doen?
Je hoeft geen extra activiteiten te verzinnen. Je stimuleert motoriek vooral door anders te begeleiden.
1. Vertraag
Plan momenten waarop het niet hoeft te haasten. Juist dan kan een kind zelf proberen.
2. Kijk voordat je helpt
Zie je een kind zoeken, proberen en corrigeren? Dan is hij precies op het juiste moment aan het leren.
3. Laat het rommelig zijn
Knoeien, scheve jassen en halve sokken horen bij het proces.
4. Geef woorden aan wat hij doet
“Je zoekt de mouw.”
“Je zet je voet hoger.”
Dat helpt het brein de beweging te organiseren.
Wat dit betekent voor peuterleidsters
In de groep zijn verzorgingsmomenten geen onderbreking van het spel, ze zijn het spel.
Aankleden, handen wassen, eten, opruimen: dit zijn de momenten waarop motoriek, zelfstandigheid en zelfvertrouwen tegelijk groeien.
Door die momenten niet te snel over te nemen, geef je kinderen iets veel groters dan hulp: je geeft ze grip op hun eigen lichaam.
Uitgelichte afbeelding: Shutterstock